Nieuws

Ons standpunt over de adviesraden tegen racisme

Brussel, 29 juni 2023 – De bestaande bijdragen van de federale entiteiten aan het interfederaal plan ter bestrijding van racisme voorzien de oprichting van “antiracismeraden” die advies zullen uitbrengen over alle aangelegenheden die verband houden met racisme.

De NAPAR Coalitie, die meer dan 65 Belgische antiracistische middenveldorganisaties verenigt, volgt deze ontwikkeling op de voet. Deze raden kunnen namelijk bijdragen tot ambitieuzere en doeltreffendere acties tegen racisme.

De samenstelling, de werkwijze, het mandaat en het in aanmerking nemen van de adviezen zullen doorslaggevend zijn.

Op eigen initiatief kunnen werken heeft veel meerwaarde

Het is positief dat de adviesraden op eigen initiatief adviezen zullen kunnen uitbrengen. Dit zou elke adviesraad in staat moeten stellen om uitdagingen vast te pakken die ze zelf belangrijk acht. Er zal wel nagedacht moeten worden over een flexibele werkwijze om te bepalen wat op eigen initiatief gebeurt.

Het is ook belangrijk om de raadpleging van deze raden over de uitvoering van elk antiracismebeleid en voor alle ontwerpen van subsidiebesluiten met betrekking tot deze strijd te verplichten .

Gebrek aan overleg over decreten en ordonnanties over de adviesraden

Het gebrek aan overleg met de instanties die deel zullen uitmaken van deze adviesraden – het middenveld, de sociale partners, academici – over de decreten/ordonnanties die er de krijtlijnen van bepalen, is zorgwekkend.

De regeringen hebben duidelijk gekozen voor een top-down benadering. Dit voorspelt weinig goeds voor de manier waarop ze zullen omgaan met de aanbevelingen van de raden. Wat zal ermee gebeuren, als regeringen er van meet af aan de voorkeur aan geven om de expertise van de betrokken instanties te negeren bij de operationalisering van de raden zelf?

Een plaats geven aan het beschermd criterium van religieuze en filosofische overtuiging

Alle raden richten zich op zogenaamde raciale criteria. Dit betekent dat de raad in staat zal zijn om kwesties te behandelen met betrekking tot antisemitisme, racisme tegen Roma, mensen van Aziatische afkomst, migranten, Afrofobie en alle andere vormen van racisme.

Maar hoe zit het met islamofobie, dat op het kruispunt ligt van de zogenaamde raciale criteria en die van religieuze of filosofische overtuiging? Zullen de raden adviezen kunnen uitbrengen over racistische discriminatie waar moslims doelwit van zijn? Deze vraag vereist een bijzondere waakzaamheid, aangezien het vroegere Franstalige platform voor de bestrijding van racisme en discriminatie, opgericht door Fadila Laanan, onder andere ineenstortte na meningsverschillen over deze kwestie.

De samenstelling is cruciaal

Maar de belangrijkste kwestie betreft de samenstelling van de raden.

Maar al te vaak worden mensen met een migratiegeschiedenis gemarginaliseerd wanneer ze deelnemen aan adviesorganen. De strijd tegen racisme is pas impactvol wanneer de eerst betrokkenen het woord krijgen.

Momenteel is het niet duidelijk hoe het Waals Gewest en de Federatie Wallonië-Brussel hun antiracismeraden zullen vormgeven.

Het Brussels Gewest daarentegen heeft op 13 juni in de Commissie Gelijke Kansen al gestemd over de tekst van de ordonnantie.

Het is veelbelovend dat die ordonnantie 11 zetels voor het middenveld voorziet, op een totaal van 22 leden – de overige zetels gaan naar academici (2), Unia (1), de sociale partners (6) en de twee bestaande raden voor gendergelijkheid en mensen met een beperking (2).

Deze brede vertegenwoordiging van het middenveld volstaat echter niet om de legitimiteit en goede werking van de raad te garanderen.

De vraag van de selectiecriteria, die door bijna alle parlementsleden tijdens de commissievergadering gesteld werd, is van cruciaal belang.

Het antwoord van de staatssecretaris voor Gelijke Kansen was over het algemeen erg vaag:

  • de belangrijkste missie van de organisaties moet het realiseren van mensenrechten zijn.
  • er zullen organisaties zijn met een antikoloniale of antifascistische benadering, inclusief organisaties die vechten tegen antisemitisme.
  • een pluraliteit van tendensen (universalistisch en differentialistisch) moet vertegenwoordigd zijn, met inbegrip van minder bekende en nieuwe organisaties.

Dit antwoord doet volgende vragen rijzen:

  • De verwijzing naar een missie rond mensenrechten is erg breed. Betekent dit dat een organisatie die niet racisme bestrijdt, maar een andere schending van mensenrechten, kan deelnemen? Voor de NAPAR Coalitie zou dit niet gerechtvaardigd zijn.
  • Universalisten en differentialisten: de tegenstelling tussen deze twee benaderingen is kunstmatig. De NAPAR Coalitie wil erop wijzen dat zij deze twee opties vanaf het begin heeft gecombineerd: racisme moet op een gemeenschappelijke manier worden bestreden (universalistische aanpak) wanneer de mechanismen van racisme verschillende groepen op dezelfde manier treffen; tegelijkertijd moeten de specifieke kenmerken van elke vorm van racisme worden aangepakt (differentialistische aanpak). Zie het memorandum van de NAPAR Coalitie, p.9, §11-12.
  • Minder bekende en nieuwe organisaties: een kandidatuurstelling van deze organisaties dient ernstig genomen te worden en tegen het licht van de selectiecriteria gehouden te worden.

We stellen zelf volgende selectiecriteria voor:

  • De strijd tegen racisme behoort tot de missie van de organisatie
  • Een bewezen expertise over racisme op vlak van theorie, ervaringsdeskundigheid met racisme, impactvolle antiracismeacties voeren en/of onthaal van slachtoffers.
  • Mate van representativiteit (aantal leden, deelnemers aan activiteiten of aangesloten verenigingen).
  • Respect van het non-discriminatie- en non-stigmatiseringsprincipe.

Het is de bedoeling van de regering om de preselectie van de leden van de Raad toe te vertrouwen aan een politiek kabinet – in dit geval het kabinet van de staatssecretaris voor Gelijke Kansen. Op basis van deze voorselectie zal de regering beslissen over de leden van de raad. Deze werkwijze is enigszins verrassend. De samenstelling van de raad moet immers de sociologie van Brussel weerspiegelen, niet de tendensen binnen een kabinet of een regering.

We roepen alle regeringen dan ook op om minstens 4 onafhankelijke, externe experten te betrekken bij de (pre-)selectie van de verenigingen. Met volgende expertise:

  • Een goede kennis van het Brussels antiracistische verenigingsleven
  • Een goede kennis van de specificiteit van racisme in hun regio.

Monitoringcomité in het Waals Gewest: één vertegenwoordig.st.er van de NAPAR Coalitie?

Terwijl alle bijdragen aan het interfederaal actieplan een plaats voorzien voor het antiracistische middenveld in hun antiracismeraden, gaat het Waals Gewest een stap verder: het voorziet ook een vertegenwoordig.st.er van de NAPAR Coalitie in het toezichtcomité van de maatregelen. Daarnaast zal het comité dat ook een vertegenwoordig.st.er van Unia, een vertegenwoordig.st.er van de DISCRI – het uitwisselingsorgaan van de Waalse regionale integratiecentra – en vertegenwoordig.st.ers van alle kabinetten en administraties van de regering hebben.

De NAPAR Coalitie is uiteraard geïnteresseerd om aan het monitoringcomité deel te nemen, maar heeft vragen bij diens samenstelling. De aanwezigheid van één enkele vertegenwoordig.st.er van het antiracistische middenveld is ontoereikend, op meerdere vlakken.

  • Met alle aanwezige kabinetten en administraties (minstens 16 mensen?) is het onwaarschijnlijk dat één enkele vertegenwoordig.st.er voor het hele antiracistische middenveld veel gewicht in de schaal zal kunnen leggen.
  • Als coalitie is het ons democratische basisprincipe om ons te laten vertegenwoordigen door delegaties van meerdere leden. Er is nood aan minimum 3 vertegenwoordig.st.ers van de NAPAR Coalitie om de nodige deskundigheid aan te brengen, afhankelijk van de onderwerpen die aan bod komen.
  • We dringen erop aan dat ook organisaties die geen lid zijn van onze coalitie bij het proces worden betrokken. Dit verzoek, dat niet nieuw is, houdt rekening met de realiteit van het antiracistische werkveld. Hoewel wij een groot aantal Belgische antiracistische organisaties en organisaties van mensen met een migratiegeschiedenis vertegenwoordigen, hebben andere organisaties ook ervaringsdeskundigheid of expertise in de strijd tegen racisme.

De mate waarbij rekening gehouden wordt met deze verzoeken zal bepalend zijn voor onze deelname aan het monitoringscomité.

We roepen voorts ook de federale regering, het Brussels Gewest en de Federatie Wallonië-Brussel op om het antiracistische middenveld een prominente plaats te geven in hun respectievelijke toezichtcomités. Zo kunnen doelwitten van racisme nauw betrokken worden, niet alleen bij de adviesraden, maar ook bij de monitoring van de maatregelen. Deze transparantie is geen detail, maar zal doorslaggevend zijn voor het succes van de maatregelen. Het adagium van Gandhi en Mandela dat “wat voor ons wordt gedaan, zonder ons, tegen ons wordt gedaan” is geen loze kreet.

Het interfederale actieplan blijft een prioriteit

Tot slot willen we nogmaals benadrukken dat de logica van een interfederaal plan behouden moet blijven. De huidige bijdragen van de gefedereerde entiteiten en de invoering van adviesraden en monitoringscomités zijn een belangrijke eerste stap. Tegelijkertijd is een interfederaal actieplan met een algemeen monitoringcomité essentieel, om het overzicht te bewaren, de complementariteit van de acties te garanderen en synergiën en uitwisselingen van goede praktijken mogelijk te maken.

 

De werking en het mandaat van andere raden – met name de Conseil Supérieur de l’Éducation permanente (CESEP) en de Conseil de la Promotion de la Citoyenneté et de l’Interculturalité (PCI) – voorzien dit.

De regionale integratiecentra zijn semipublieke organen – de helft van hun raden van bestuur bestaat uit politiek mandatarissen.

Vergelijkbare berichten