Regeerakkoorden | Verkiezingen

Verkiezingen 2024 | Het dragen van levensbeschouwelijke tekens: een kwestie van grondrechten

Op 9 juni 2024 vinden de federale, Europese, gewest- en  gemeenschapsverkiezingen plaats. In oktober volgen de gemeenteraadsverkiezingen.

In de aanloop naar dit cruciale moment heeft de NAPAR Coalitie de programma’s van alle democratische politieke partijen geanalyseerd op vlak van de aanpak van racisme en vergeleken met de belangrijkste prioriteiten van ons memorandum.

Het resultaat kun je hier bekijken.

De komende dagen publiceren we analyses van de partijstandpunten over de belangrijkste aanbevelingen van de NAPAR Coalitie.

Vandaag: levensbeschouwelijke tekens

Levensbeschouwelijke tekens: een kwestie van grondrechten

Moeten ambtenaren, leraren en leerlingen de toestemming krijgen om zichtbare levensbeschouwelijke tekens te dragen? Moeten we lichaamsbedekkende zwemkleding toelaten in openbare zwembaden? Voor de NAPAR Coalitie dienen deze beslissingen vooral benaderd te worden vanuit hun impact op de grondrechten van de betrokkenen en met het oog op de participatie van zoveel mogelijk mensen aan het gezamenlijke project van onze pluralistische samenleving.

De toegang tot zwembaden verzekeren

Zo bekeken, zorgt een toelating van lichaamsbedekkende zwemkleding in openbare zwembaden ervoor dat vele vrouwen die een islamitische, joodse of andere geloofsovertuiging hebben een van de meest heilzame sporten voor hun gezondheid kunnen beoefenen

De toegang tot werk verzekeren

Het toelaten van zichtbare levensbeschouwelijke tekens voor ambtenaren en leraren betekent voor duizenden mensen dat ze meer kans hebben om een job te vinden – of in ieder geval een job die past bij hun capaciteiten en ambities, voor het onderwijs zelfs in een knelpuntberoep.

Leerprestaties stimuleren

Tot slot is er, wat leerlingen betreft, op minstens twee vlakken een oorzakelijk verband tussen het toestaan van het dragen van zichtbare levensbeschouwelijke tekens op school en schoolprestaties.

Enerzijds brengt deze toelating een essentiële boodschap over, des te meer voor tieners die op zoek zijn naar hun plaats in de maatschappij: “je bent welkom zoals je bent, met wat belangrijk voor je is – je dromen, je religieuze overtuiging, je culturele achtergrond… Je hoeft dit deel van jezelf niet te verbergen.” Deze erkenning vormt de basis voor het ontwikkelen van eigenwaarde, het gevoel erbij te horen en vertrouwen in de instelling die hen verwelkomt, wat er op zijn beurt toe bijdraagt dat leerlingen het beste van zichzelf geven op school. Studenten die zich goed voelen op school presteren beter. 

Anderzijds dwingen de verboden die momenteel op de meeste scholen gelden veel leerlingen om zich in te schrijven op scholen die niet noodzakelijkerwijs overeenkomen met hun leerbehoeften.

De keuzes van de partijen op dit gebied zijn dus verre van een symbolische of principiële kwestie. Ze hebben een reële impact op het leven van duizenden mensen.

Samengevat
  • Algemeen verbod: MR, DéFI en wellicht ook NV-A.
  • Verbod, met uitzonderingen: Engagés.
  • Toestemming, met uitzonderingen: Ecolo, PS, CD&V, Open VLD.
  • Algemene toelating: PTB-PVDA, Vooruit, Groen.
Ambtenaren: zeer verschillende interpretaties van de onpartijdigheid van de staat

Over het algemeen blijft het dragen van levensbeschouwelijke tekens door ambtenaren die een gezagsfunctie bekleden taboe. Groen en de PTB-PVDA vormen een uitzondering en, in mindere mate, Vooruit en Ecolo, die de beslissing deels uitbesteden aan de betrokken diensten.

Voor andere ambtenaren zijn slechts twee partijen voorstander van een totaalverbod (MR, DéFI). De NV-A en Les Engagés staan daar niet zo ver van af, maar in verschillende gradaties. Terwijl Les Engagés expliciet een uitzondering voor ambtenaren zonder contact met het publiek bepleiten, verschilt het standpunt van de NV-A dan weer naargelang de bron:

  • Op haar website pleit de partij voor een “absoluut verbod” voor de ambtenarij. 
  • Haar (meer recente?) reactie op de stemtest van de VRT en van de RTBF lijkt echter een opening te laten voor ambtenaren zonder contact met het publiek. 

Qua argumentatie gaan alle partijen uit van het principe dat de dienstverlening van ambtenaren onpartijdig moet zijn, maar voor de MR, DéFI en NV-A moeten gebruikers ook gerustgesteld worden dat dit het geval zal zijn door de “schijn van onpartijdigheid” te garanderen – waar levensbeschouwelijke tekens geen onderdeel van zouden uitmaken.

Voor de partijen die eerder voorstander zijn van een toestemming (Ecolo, PTB-PVDA, Vooruit, CD&V, Groen) lijkt de onpartijdigheid van de dienstverlening over het algemeen voldoende om een klimaat van vertrouwen te scheppen tussen overheden en gebruikers. 

Deze partijen verwijzen ook naar andere principes:

  • het recht om zijn religieuze overtuigingen te beleven en te uiten, ook in het openbaar (CD&V, Groen, Vooruit).

“Geen enkel persoon is immers neutraal. Iedereen heeft politieke, filosofische, religieuze… overtuigingen. Daar is niets mis mee en dat mag dus tot uiting komen.” (CD&V)

  • de vrije keuze om te dragen wat je wilt (Groen)
  • de strijd tegen vooroordelen

“De beste remedie tegen wederzijdse vooroordelen is een correcte dienstverlening, door een ambtenaren korps dat zichtbaar de diversiteit binnen onze samenleving weerspiegelt.” (Vooruit).

Op basis van deze argumenten pleiten Groen en PVDA-PTB voor een onvoorwaardelijke toelating. CD&V en Vooruit maken respectievelijk een uitzondering voor mensen in gezagsfuncties en voor ambtenaren die functiekledij dragen – al lijken de socialisten open te staan voor het idee om levensbeschouwelijke tekens in functiekledij te verwerken.

De PS, Ecolo en Open VLD hebben minder uitgesproken standpunten.

Het pleidooi van de PS voor een verbod op het dragen van levensbeschouwelijke tekens voor “werknemers die gezagsfuncties uitoefenen, d.w.z. functies van beslissing en dwang, en die in visueel contact staan met het publiek”, zou kunnen wijzen op een verbod 

  • voor gezagsfuncties die in visueel contact staan met het publiek
  • voor gezagsfuncties enerzijds en functies in visueel contact met het publiek anderzijds.

    Open VLD en Ecolo geven er dan weer de voorkeur aan om de vraag over te laten aan de betrokken diensten (zie het kader voor een meer gedetailleerde analyse van dit standpunt, red.). 

    Hun basishouding lijkt echter nogal verschillend: voor de groenen is toestemming de regel en een verbod de uitzondering, terwijl de liberalen lijken uit te gaan van het principe van een verbod met uitzonderingen.

     “Als iemand geen gezagsfunctie uitoefent en al zeker wanneer er geen contact is met burgers, mag dit niet uitmaken.”. (Open VLD)

    “We pleiten ook voor een inclusieve neutraliteit, waarbij de vrijheid om levensbeschouwelijke tekens te dragen het basisprincipe is en een verbod de uitzondering.” (Ecolo)

    Het laatste dat opvalt met betrekking tot ambtenaren betreft de verschillende gevoeligheden binnen de verschillende landsdelen. Zowel bij de liberalen, socialisten als de groenen zijn de Vlaamse partijen meer geneigd om het dragen van levensbeschouwelijke tekens toe te laten dan hun Franstalige tegenhangers. Dit is ongetwijfeld te wijten aan de invloed van het Franse secularisme, dat meer ingang vindt in het zuiden van het land.

    Lichaamsbedekkende zwemkleding: ongeldige argumenten om een verbod te rechtvaardigen

    De kwestie van de lichaamsbedekkende zwemkleding is van een heel andere orde dan die van de ambtenaren, omdat het gaat om gebruikers en niet om overheidspersoneel.

    Terloops moet worden opgemerkt dat deze kwestie niet voorkomt in de partijprogramma’s, maar alleen deel uitmaakt van de stemtest van de RTBF en IPM. Alleen de Franstalige partijen werd gevraagd een standpunt in te nemen.

    Om een verbod op lichaamsbedekkende zwemkleding in openbare zwembaden te rechtvaardigen, beroepen DéFI, de Engagés en de PS zich vooral op veiligheid en hygiëne. Het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid liet Unia in 2022 echter reeds weten dat “lichaamsbedekkende zwemkleding van hetzelfde materiaal is als andere badkleding en dus geen impact heeft op de kwaliteit van het water. Ook op het gebied van veiligheid ziet het Agentschap geen risico’s.”Unia concludeerde daarom dat het verbod onterecht was en in strijd met het non-discriminatiebeginsel.

    De MR hanteert daarentegen een heel ander register:

     “Wij zijn tegen redelijke aanpassingen. Ze zijn een aanval op gelijkheid en een schending van het principe van de onpartijdigheid van de staat, wat betekent dat geen enkele religie kan worden ingeroepen om de wet te omzeilen.”

    Deze argumentatie is wel erg bedenkelijk: in het licht van Unia’s bovengenoemde analyse is het toestaan van lichaamsbedekkende zwemkleding noch een redelijke aanpassing, noch een aanval op gelijkheid, noch een poging om de wet te omzeilen, maar precies het tegenovergestelde. 

    Een blik op het hele programma van de MR laat zien dat deze passage geen toeval is: alle standpunten van de partij over kwesties die moslims aangaan gaan duidelijk in dezelfde richting: weigering van het dragen van levensbeschouwelijke tekens, weigering van halal (en koosjer) maaltijden in schoolkantines, weigering van lichaamsbedekkende zwemkleding,verbod op ritueel slachten, opname van secularisme in de grondwet. Onderweg hanteert de partij een taalgebruik dat vaak verdeeldheid zaait en stigmatiserend werkt.

    Onderwijs: verschillende partijen blijven op de vlakte

    Wat het onderwijs betreft, is het geen verrassing dat de MR en DéFI voorstander zijn van een algemeen verbod voor zowel leerlingen als leerkrachten. Dit lijkt ook het geval te zijn voor de NV-A, die dit thema niet aanhaalt in haar programma voor 2024, maar op haar website het recht van scholen verdedigt om levensbeschouwelijke tekens te verbieden.

    De argumenten van deze partijen zijn de volgende:

    • niet de ene religie bevoordelen ten opzichte van de andere (DéFI)
    • een neutrale ruimte garanderen (DéFI), vrij van “religieuze opdringerigheid” en dogma’s (MR)
    • gelijkheid tussen mannen en vrouwen (MR)
    • het burgerlijk recht laten zegevieren (MR)
    • groepsdenken vermijden (NV-A)

    Aan de andere kant verdedigen Groen en de PVDA-PTB een algemene toelating voor leerlingen en leraren – hoewel dit bij de PVDA-PTB explicieter is dan bij Groen en de PVDA-PTB zich richt op één levensbeschouwelijk teken in het bijzonder: 

    “We schaffen het hoofddoekverbod af zowel in privébedrijven en openbare diensten als op middelbare en hogescholen” (PVDA-PTB)

    “We willen dat je je levensbeschouwelijke overtuiging kan beleven en uiten. We schrappen verbodsbepalingen over het dragen van levensbeschouwelijke tekenen: een hoofddoek of kruisje, je draagt wat je wil.” (Groen)

    De andere partijen hebben verschillende standpunten, naargelang het over leerlingen of leraren gaat, of vermelden niets over ten minste één van deze kwesties.

    Leraren

    In Franstalig België spreken alleen de PTB (voor) en de MR en DéFI (tegen) zich uit over het dragen van levensbeschouwelijke tekens door leerkrachten.

    In Vlaanderen is dit het geval voor de PVDA, Vooruit en Groen (voor), de CD&V (voor, maar de beslissing ligt bij elke school) en de NV-A (eerder tegen).

    De voorstanders van een toelating voor het dragen van  levensbeschouwelijke teken voor leerkrachten halen de volgende argumenten aan: 

    • Het is een deel van de oplossing voor de ondervertegenwoordiging van mensen met migratiegeschiedenis in het lerarenberoep (en ongetwijfeld ook voor het lerarentekort in het algemeen, red.) (CD&V).
    • Iedereen moet zich welkom voelen op school (Vooruit)
    • Je kiest zelf wat je draagt, de focus moet liggen op onpartijdig gedrag (Groen).
    Leerlingen

    De CD&V lijkt ook voorstander te zijn van een toestemming voor leerlingen en wordt op dit punt bijgetreden door Les Engagés, met het belangrijke verschil dat deze laatste partij vindt dat leerlingen pas vanaf het 5e middelbaar over de nodige kritische zullen beschikken om deze keuze te maken.(Ecolo maakte een soortgelijk punt in haar programma voor 2019 en sprak over de “leeftijd van de maturiteit”, maar verwijst daar in 2024 niet meer naar, red.)

    Uiteindelijk beslissen zowel de CD&V als de Engagés echter om de beslissing aan de scholen over te laten.

    De beslissingen decentraliseren: een interessante optie? 

    Deze tendens om de besluitvorming op schoolniveau te decentraliseren lijkt op de logica van Ecolo, Open VLD en Vooruit voor de ambtenarij – die de beslissing in meer of mindere mate aan de betrokken departementen overlaten:

    • volledig (Open VLD)
    • voor gezagsfuncties en/of visueel contact met het publiek (Ecolo)
    • om te zien of  levensbeschouwelijke teken deel kunnen worden van de functiekledij (Vooruit)

    Als NAPAR Coalitie menen we dat het aan overheden is om een duidelijk wettelijk kader te scheppen dat het dragen van levensbeschouwelijke teken toelaat voor alle ambtenaren, leerkrachten en leerlingen.

    Het ontbreken van een algemeen kader leidt tot willekeur tussen scholen en tussen verschillende diensten en administraties. Maar bovenal schieten de overheden dan tekort in een van hun essentiële taken: net zoals ze hun rol moeten spelen in de controle op de naleving van de antiracismewet,  hebben ze de plicht om de best mogelijke voorwaarden te scheppen voor het respecteren van de grondrechten van iedereen (waaronder het recht op onderwijs en het recht op werk, die krachtige integratoren zijn in het sociale leven).

    Wat moet er echter gebeuren indien zou blijken dat er binnen een bepaalde regering geen consensus bestaat voor een toelating? In dat geval dienen we volgens de NAPAR Coalitie in te zetten op de autonomie van de lokale overheden, scholen en administraties om vooruitgang te boeken, lokale overheid per lokale overheid, school per school, dienst per dienst. Het liefst via een breed participatief proces dat ons inziens het potentieel heeft om mythes te deconstrueren en overeenstemming te bereiken over de te bereiken doelstellingen, waarbij de grenzen collectief vastgelegd worden.

    We dienen dus vooral pragmatisch te zijn. En het is dan ook maar al te gemakkelijk om de verantwoordelijkheid voor het nemen van beslissingen in deze door te schuiven naar een ander bestuursniveau – zoals verschillende Brusselse gemeenten hebben gedaan, die nog steeds wachten op een standpunt van het Brussels Gewest, in plaats van zelf stappen te zetten in deze kwestie.

    De uitslag van de verkiezingen zal mede bepalen of er op een gecoördineerde manier of verspreide slagorde vooruitgang geboekt kan worden.

     

    Vergelijkbare berichten